De Vereniging van Dorpsbelangen Boerakker-Lucaswolde wenste zijn identiteit
zichtbaar te maken door middel van een wapen en een vlag.
Het Consulentschap voor de Heraldiek in de Provincie Groningen voldeed aan het
verzoek van de vereniging en verzorgde een wapen en een vlag op basis van
historisch- geografische bronnen.
Het wapen wordt als volgt omschreven:
In goud een gaande gevleugelde stier van keel met een aureoollijn van keel, een
schildvoet van sabel met een lelie van goud met aan weerszijde een boekweitbloem
van zilver geknopt van keel
De vlag wordt als volgt omschreven:
In geel een rode gaande gevleugelde stier met rode aureoollijn, een zwarte
broeking een gele lelie boven en onder een witte boekweitbloem met rode knop.
De gevleugelde stier is het zinnebeeld van de H. Lucas die de naamgever was van
een monnik Lucas van het Kuzemerklooster die met zijn medebroeders land ontginde
in deze streek, en wiens naam weer terug te voeren is op de Evangelist.
De kleuren goud en keel (rood) zijn terug te voeren op het wapen van de familie
van Ewsum, de heren van Vredewold te Nienoord, een geslacht die een belangrijke
rol gespeeld heeft in het Westerkwartier en de Ommelanden. Zij hebben de stoot
gegeven tot de turfwinning in dit gebied in 1508. Het Dwarsdiep is de
belangrijkste afwatering van dit drassige gebied waar het zeewater vrij spel had
tussen de zandruggen. Daarom is gekozen voor een golvende schildvoet waarvan de
kleur sabel (zwart) verwijst naar de turfwinning. De gouden lelie verwijst naar
het Kuzemer klooster Mariapoort, terwijl de bloempjes duiden op de boekweitteelt
Deze bloempjes hebben een wit- rode bloeiwijze.
Boerakker is ontstaan aan een oude zandweg:“Boerenakkers/Boekweitakkers en later
Buirenackers” Deze zandweg liep van het nonnenklooster “Mariapoort” (1204) bij
Kuzemer in zuidelijke richting tussen de weilanden, moerassen en het met riet
bedekte laagland en zout veen dat werd doorsneden door kreken, door naar de
noordelijkste kleidijk. Dit weggetje zal slechts in de zomer bruikbaar zijn
geweest. Langs deze weg kon men dus de kleidijk bereiken en de boekweitakkers op
het veen ten zuiden er van.
Het Dwarsdiep (Olde Diep) is de belangrijkste afwateringskreek De verdere
omgeving bestond uit heidevelden en woeste grond.
Vóór de val van Groningen in 1594 waren het de kloosterlingen die hier boekweit
verbouwden, de zgn. “boekweitakkers” Na de reformatie werden deze akkers bewerkt
door inwoners uit Tolbert/Niebert en werden toen “Buirenackers” genoemd,
waarnaar het dorp dat later ontstond de naam Boerakker kreeg.
Lucaswolde wordt voor het eerst genoemd in 1385 toen pastoor Luppold namens de
boeren uit de omgeving een stuk tekende over de afspraken over de waterafvoer in
het landschap Vredewold waarin beide dorpen lagen.
Ir A.Daae